Hoe komt vuurwerk een stadion in?
Door Donald Esser.
Hoe komt vuurwerk een stadion in? Het is inmiddels zo’n klassieker, die thuishoort naast: waar blijft een van mijn witte sokken na de was van mijn vrouw? En waarom staat de file altijd precies dáár waar ik moet zijn als ik rijd van mijn thuislocatie Vinkeveen naar de redactie in Aalsmeer?
Maar bij voetbal lijkt het antwoord pijnlijk eenvoudig: vuurwerk komt een stadion in, omdat niemand echt wil weten hoe. Natuurlijk, het is sfeer verhogend, fantááástisch. Ik vind een knallend evenement prachtig. Maar toch… Laten we ff bij de les blijven.
Neem Cambuur-Vitesse van afgelopen weekend, gestaakt na 88 minuten door een vuurwerkexplosie van: ‘Ik ben het er niet mee eens’. De wedstrijd is door de KNVB officieel als uitgespeeld bestempeld. Of de recente KNVB-bekerfinale tussen AZ en NEC in de Rotterdamse de Kuip; een wedstrijd die later begon dan gepland, onderbrekingen langer dan de gemiddelde analyse aan een voetbalpraattafel. Overal blauwe rook, veel mist. Geen voetbal, wel vuur. En meest recent zondag 26 april: Heracles-FC Volendam, in de 82e minuut door vuurwerkgeweld stilgelegd bij een 0-2 stand in Noord-Hollands voordeel. Passievol van gefrustreerde thuissupporters, betrokken vanwege clubliefde, maar ken je grenzen.
En daarna volgt steevast het ritueel van de officiële verbazing. Bestuurders die geschokt kijken alsof ze voor het eerst vuur zien branden. Veiligheidschefs die plechtig een ‘grondig onderzoek’ aankondigen. Stewards die plotseling lijden aan collectief geheugenverlies. Het hoort allemaal bij het draaiboek van het voetbalstadion anno 2026. Stadions zijn inmiddels Bermuda driehoeken: alles wat verboden is, verdwijnt erin om er vervolgens, brandend en knetterend, weer uit te komen.
Hoe het vuurwerk een stadion binnenkomt? Ik heb geen idee. Corruptie? Angst? Creatieve smokkelaars? Holle lichaamsholtes waar zelfs de anatomieboeken nooit van gehoord hebben? Wie zal het zeggen. Het mooie is: niemand vraagt het hardop. Want het antwoord zou weleens ongemakkelijk kunnen zijn. En ongemak is lastig, vooral als er volgende week gewoon weer kaartjes verkocht moeten worden.
Maar laten we vooral ook even stilstaan bij de ‘zogenaamde supporters’. U kent ze wel. Ze zeggen dat ze van hun club houden en tonen die liefde door spelers na de warming-up minutenlang in de kou te laten staan, wedstrijden ontregelen en het stadion veranderen in een mobiele chemische proefopstelling. Liefde voor de club, noemen ze dat.
Het ironische is: zonder vuurwerk vinden supporters het spelletje op de groene mat blijkbaar niet spannend genoeg. Negentig minuten voetbal is doorgaans saai, tenzij je supporter bent van passievol aanvallend spelende voetballende clubs als NEC of Telstar. Elders in de eredivisie is er kans is op rookontwikkeling, tinnitus en een boete van de KNVB. Het liefst allemaal tegelijk.
Misschien moeten we het omdraaien. Geen fouillering meer. Geen controles. Gewoon bij de ingang een simpele vraag: ‘Heeft u vuurwerk bij u?’ Bij een ‘ja’ krijgt men geen stadionverbod, maar een spiegel. Met daaronder de vraag: ‘Ben je supporter, of slechts figurant in je eigen rookgordijn?’
Met nog drie competitiewedstrijden in de eredivisie te gaan, blijven we kijken naar uitgestelde aftrappen en spoorloos verdwenen verantwoordelijken. En vuurwerk. En blijven we dezelfde vraag stellen: hoe komt vuurwerk een stadion in? Antwoord: omdat wegkijken nu eenmaal makkelijker is dan opruimen. En omdat sommige fans liever knallen horen dan juichen. Wees eerlijk: in ontbloot bovenlijf zijn sommige voetbalfans toch echt meer Neanderthalers dan supporters.

