Column: ‘Donald denkt door’

Tanken in Duitsland

Door Donald Esser.

Ik zat dus, zoals het een regionaal journalist betaamt, bescheiden te mijmeren bij Wander, de populaire culinaire trekpleister aan het altijd kalm wiegende water op Eiland 1 aan de net te Instagrammable Vinkeveense Plassen. Vriend Paul tegenover me, blik op oneindig, hart vol dromen, maag nog voller, want de Flammkuchen was belegd met een combinatie die zelfs de chef waarschijnlijk als grap had bedoeld, met gorgonzola, daarnaast nam hij paling en boneless spareribs. Dat hadden we besteld. Een share-lunch. Als dit culinair mocht, dan mocht alles.

En daar gebeurde het. Paul, die doorgaans alleen bij volle maan goede ideeën heeft, zakte onderuit in zijn stoel, keek me aan met de blik van iemand die zojuist de economische wetmatigheden van de wereld had doorgrond en zei: “Hé Dook, Donald… Ik heb een moneymaker.”

Ik zette mijn glas Chablis neer alsof het champagne zonder bubbels was. “Benzineprijzen rijzen de pan uit”, vervolgde hij. Ik dacht al: oh nee, daar komt het. En hij zei: “Dus wat dacht je: we boeken een touringcar naar Düsseldorf, gaan adverteren, loopt zo vol. Iedereen mag twee jerrycans van 50 liter meenemen, beetje shoppen, beetje tanken, beetje rekenen… en klaar is Kees. Vakantiedagje plus rendement.” Hij lachte. Ik ook. Tenminste, ik dacht dat ik lachte, maar later bleek ik vooral naar adem te happen.

En het werd nog mooier. Want Paul, die normaal al blij is als hij twee sokken van dezelfde kleur vindt, vertelde trots dat een vriend van hem ooit miljonair werd met een creatief idee. Geen details, want geheimhouding en zo, maar dit wist ik: als het brein waaruit dat voortkwam ook deze jerrycan-expeditie had goedgekeurd, moesten we opletten.

Ik probeerde me de touringcar voor te stellen, vertrekkend vanuit De Ronde Venen en Uithoorn. Vijftig man, met zorgvuldig gesorteerde jerrycans in het bagageruim. En een chauffeur die bij de Duitse grens vriendelijk uitlegt waarom de bus op de terugreis zwaarder is dan een Boeing 737. Een douanier die zich afvraagt of er misschien iemand een oliemaatschappijtje in wording het land binnen probeert te smokkelen. En natuurlijk Paul, die bij de eerste pomp al vergeefs zoekt naar de volumekorting knop. “Moeten we nog wel even vragen of het mag”, zei hij.

Toch zag ik het langzaam voor me: een complete dagtocht, inclusief lunchje, winkeltijd in Düsseldorf en een mathematisch rekenmodel waarin voor de ‘toeristen’ de winst per liter wordt afgezet tegen de kosten van broodjes currywurst. Daar kan geen beleggingsadviseur tegenop.

Ik vroeg Paul of hij zeker wist dat dit legaal was. Hij keek over het Vinkeveense water naar de horizon alsof daar het antwoord stond. “Alles is legaal”, zei hij, “tot iemand zegt dat het niet zo is.”

En zo zaten we daar. Twee mannen aan de Vinkeveense Plassen, één met een dromerige blik, één met een notitieblok voor noodgevallen. Paul zag zichzelf al op de cover van Quote, ik zag ons vooral terug op de voorpagina van de Nieuwe Meerbode onder de kop: ‘Regio’s eerste benzinetoerisme-expeditie strandt…’

Maar eerlijk is eerlijk: dat uitzicht bij Wander, dat zonnetje, die fantááástische Flammkuchen, het doet iets met een mens. Je gaat erin geloven. Heel even maar, en dan nog vooral omdat het leven soms gewoon vraagt om een absurd idee dat onmogelijk lijkt… Tot iemand het probeert. En nee, we hebben het niet gedaan. Nog niet…