De competitie van de laffe moed
Door Donald Esser.
Ik ben voetballiefhebber. Het zit er weer op. Het eredivisie voetbalseizoen. De strijd van heroïek en onverzettelijkheid eindigde dit jaar zoals een gemiddelde gemeenteraadsvergadering: iedereen had er gezeten, maar niemand wist nog precies waarom. PSV werd kampioen, al maanden geleden eigenlijk, maar men besloot voor de vorm nog even door te spelen. Een vroege kampioen is als een verjaardagsfeest waar de jarige na het eerste gebakje al naar bed gaat: de rest mag blijven hangen, maar het plezier is er wel een beetje uit.
Daarachter voltrok zich de grote Nederlandse sporttraditie: de uitgerekte middenmoot. Een soort nationale hobby, waarbij clubs om des keizers baard spelen, veilig genoeg om niet te degraderen, te matig om iets te winnen, en vooral uitstekend in het perfectioneren van de 1-1. Het is voetbal als achtergrondmuziek: niemand luistert echt, maar het moet er blijkbaar zijn.
En onderin? Daar werd het pas later interessant. Niet omdat het niveau plots steeg, maar omdat angst een uitstekende motivator blijkt. Volendam – Telstar, Volendam – Willem II: wedstrijden waarin de bal niet zozeer rolt, maar beeft. Eén gemiste strafschop en het verschil tussen euforie en existentiële twijfel ligt open en bloot op het gras. Het bekende heen-en-weer (Volendam) van promoveren (Willem II) en degraderen (weer Volendam), een voetbalvariant van de lift die nooit op de juiste verdieping stopt.
Ironisch genoeg begint het echte voetbalplezier pas als de competitie officieel voorbij is. De nacompetitie: het toetje na een hoofdgerecht dat menig supporter met frisse tegenzin heeft weggewerkt. Ineens staat er weer iets op het spel. Ineens wordt er weer gerend alsof het ertoe doet. Alsof men zich collectief realiseert dat voetbal eigenlijk best leuk kan zijn. In de eredivisie plaatsten zich voor het toetje Ajax, Utrecht, Heerenveen en Groningen.
En daar zit het ongemak. Vierendertig eredivisiewedstrijden lang bouwen we aan een ranglijst die op driekwart al is beslist, om vervolgens in een paar weken tijd alles spannender te maken dan de hele competitie bij elkaar. Het is alsof de film pas boeiend wordt tijdens de aftiteling.
Maar goed, PSV-kampioen, Feyenoord dapper tweede na een seizoen vol struikelpartijen, Ajax voor het eerst in de clubgeschiedenis – na het winnen van strafschoppen tegen Utrecht – op excursie naar het Europese bijprogramma, de Conference League. Niemand echt boos, niemand extatisch. De perfecte Nederlandse balans: een competitie zonder overdreven emoties. Alleen op het einde met Telstar, Volendam en Willem II. En Ajax.
En nu wacht het WK. Nieuwe hoop, nieuwe teleurstellingen, en vooral het vaste besef dat we het spelletje misschien toch iets te serieus nemen. Want uiteindelijk is voetbal niets meer dan twee doelen, een bal en een verzameling volwassen mannen die erachteraan hollen alsof hun pensioen ervan afhangt.
Misschien is dat wel de grootste winst van dit seizoen: de herinnering dat het allemaal niet zo belangrijk is. Dat de middenmoot er altijd zal zijn, de kampioen vaak vroeg bekend is en de echte spanning pas onder in de ranglijst opduikt als het eigenlijk al bijna afgelopen is. Of zoals de gemiddelde supporter het samenvat: het seizoen was matig, maar het toetje smaakte prima.
En laten we eerlijk zijn: als keepers als Ronald Koeman (Telstar) en Thomas Didillon-Hödl (Willem II) strafschoppen opeisen en scoren in allesbeslissende wedstrijden, dan was dit seizoen vooral een les in bescheiden ambitie. De competitie van de laffe moed waar niemand durft te verliezen, maar ook niemand echt wint. Of het moet Willem II zijn. En natuurlijk Telstar. En uiteindelijk Ajax, dat zondag dankzij keeper Paes Europa in mag, zij het op bescheiden niveau.

