De warmte van januari
Door Donald Esser
Januari loopt op z’n einde en is de maand waarin Nederland collectief ontdekt dat we eigenlijk gewoon een land van licht masochistische optimisten zijn. Het is prachtig. Neem de Warmetruiendag, bijvoorbeeld. Het jaarlijkse moment, waarop we de thermostaat demonstratief op 17 graden zetten en onszelf hijsen in truien die qua volume onze het aanzicht geven van een Michelin-mannetje. Het land dat ooit met trots dijken bouwde om de zee buiten te houden, bouwt nu dekens rond zichzelf om het gas binnen te houden.
Maar ach, het heeft z’n charme. Want ergens tussen de wollen coltruien, thermo-onderbroeken en kruiken in sokkenformaat ontdekken we iets heel simpels: menselijke warmte kost niks. En nog mooier: die warmte is belastingvrij, energielabel A++++ en voorlopig ook nog niet geprivatiseerd. De meeste huishoudens hebben inmiddels geleerd dat een knuffel meer oplevert dan een graadje hoger. Zelfs de CV-ketel zucht opgelucht.
En dan, alsof het nog niet genoeg is, marcheert heel Nederland vol goede voornemens de jaarlijkse Dry January‑masochistenparade binnen. Een fenomenaal schouwspel. Mensen die anders glimmend van trots door het leven gaan met hun speciaalbiercollectie, melden nu plechtig dat ze ‘al drie weken geen druppel hebben aangeraakt.’ Je krijgt bijna medelijden. Ze klinken als iemand die zijn kind heeft laten verhongeren, maar dan wel precies de aanbevolen hoeveelheid water geeft.
Toegegeven: De horeca heeft het zwaar. Maar in januari… ja, laten we eerlijk zijn: in januari hebben ze eindelijk eens een maand vakantie. Een soort sabbatical, maar dan opgelegd door heel Nederland dat zijn lever een reset wil geven. En ondertussen drinkt het hele land water. Best apart, een natie die zichzelf een detox opdringt omdat we in december Bourgondisch leefden alsof er geen morgen bestaat. En misschien is dat best gezond. We zijn even een land van mineraalwater en thee. Voor één maand maar, geen paniek. In februari rolt iedereen vanzelf weer terug het café in, alsof Dry January nooit heeft bestaan.
En alsof we nog niet genoeg reden tot gezamenlijk zuchten hadden, kwam daar de klachtenregen over het januariweer bij. Na die paar dagen sneeuw trokken we collectief de conclusie dat het weer ‘niet normaal’ is. Het is te grijs, te koud, te nat, te donker. Eigenlijk te januari. En niemand vindt het leuk. Wat het mooie is: dat maakt ons allemaal even gelijk. De CEO, de bakker en de buurman die altijd klust op zondagochtend, iedereen moppert. Het werkt verbindend, dat gedeelde chagrijn. Nederlanders zijn op hun mooist als ze samen ontevreden zijn, maar dan toch stoïcijns doorgaan. Regen of geen regen, we fietsen. Windkracht 7 of niet, we mopperen, maar we komen er wel.
En misschien is dat wel de echte magie van januari: de maand waarin we koud, droog en klagend ineens ontdekken dat we eigenlijk best warm, veerkrachtig en humoristisch zijn.
Januari loopt op z’n einde en is de maand waarin Nederland collectief ontdekt dat we eigenlijk gewoon een land van licht masochistische optimisten zijn. Het is prachtig. Neem de Warmetruiendag, bijvoorbeeld. Het jaarlijkse moment, waarop we de thermostaat demonstratief op 17 graden zetten en onszelf hijsen in truien die qua volume onze het aanzicht geven van een Michelin-mannetje. Het land dat ooit met trots dijken bouwde om de zee buiten te houden, bouwt nu dekens rond zichzelf om het gas binnen te houden.
Maar ach, het heeft z’n charme. Want ergens tussen de wollen coltruien, thermo-onderbroeken en kruiken in sokkenformaat ontdekken we iets heel simpels: menselijke warmte kost niks. En nog mooier: die warmte is belastingvrij, energielabel A++++ en voorlopig ook nog niet geprivatiseerd. De meeste huishoudens hebben inmiddels geleerd dat een knuffel meer oplevert dan een graadje hoger. Zelfs de CV-ketel zucht opgelucht.
En dan, alsof het nog niet genoeg is, marcheert heel Nederland vol goede voornemens de jaarlijkse Dry January‑masochistenparade binnen. Een fenomenaal schouwspel. Mensen die anders glimmend van trots door het leven gaan met hun speciaalbiercollectie, melden nu plechtig dat ze ‘al drie weken geen druppel hebben aangeraakt.’ Je krijgt bijna medelijden. Ze klinken als iemand die zijn kind heeft laten verhongeren, maar dan wel precies de aanbevolen hoeveelheid water geeft.
Toegegeven: De horeca heeft het zwaar. Maar in januari… ja, laten we eerlijk zijn: in januari hebben ze eindelijk eens een maand vakantie. Een soort sabbatical, maar dan opgelegd door heel Nederland dat zijn lever een reset wil geven. En ondertussen drinkt het hele land water. Best apart, een natie die zichzelf een detox opdringt omdat we in december Bourgondisch leefden alsof er geen morgen bestaat. En misschien is dat best gezond. We zijn even een land van mineraalwater en thee. Voor één maand maar, geen paniek. In februari rolt iedereen vanzelf weer terug het café in, alsof Dry January nooit heeft bestaan.
En alsof we nog niet genoeg reden tot gezamenlijk zuchten hadden, kwam daar de klachtenregen over het januariweer bij. Na die paar dagen sneeuw trokken we collectief de conclusie dat het weer ‘niet normaal’ is. Het is te grijs, te koud, te nat, te donker. Eigenlijk te januari. En niemand vindt het leuk. Wat het mooie is: dat maakt ons allemaal even gelijk. De CEO, de bakker en de buurman die altijd klust op zondagochtend, iedereen moppert. Het werkt verbindend, dat gedeelde chagrijn. Nederlanders zijn op hun mooist als ze samen ontevreden zijn, maar dan toch stoïcijns doorgaan. Regen of geen regen, we fietsen. Windkracht 7 of niet, we mopperen, maar we komen er wel.
En misschien is dat wel de echte magie van januari: de maand waarin we koud, droog en klagend ineens ontdekken dat we eigenlijk best warm, veerkrachtig en humoristisch zijn.

